In je genen ligt vast of je je als meer introvert of meer extravert ontwikkelt. Maar daarna bepalen je opvoeding en je sociale omgeving welke eigenschappen naar voren (mogen) treden. Welke gewenst en welke ongewenst zijn. De ongewenste eigenschappen worden als het ware – vaak onbewust – “verstoten”. De ander die je irriteert confronteert je met een deel van jezelf wat je niet onder ogen wilt zien. Het verstoten, weggestopte deel. Door het gedrag van de ander kijk je als het ware in de spiegel en zie je – onbewust – wat je hebt weggestopt. Dit voelt als bedreigend, het maakt je kwetsbaar. Je hebt het immers onbewust weggestopt omdat het – voor jou – een ongepaste, ongewenste eigenschap is. Als je bereid bent die kant te (h)erkennen en onderdeel laat zijn van jezelf, neemt de irritatie af. Met het verstoten van de negatieve kanten van een eigenschap, ontken je ook de positieve kanten ervan. Daar ligt de winst die je kunt halen uit je irritatie. Welke positieve kant zit er in hetgeen mij irriteert? Hoe kan ik die eigenschap beter benutten? Ook door dat wat je intrigeert, aantrekkelijk vindt bij een ander kun je een verstoten kant van jezelf opsporen.