Als de ander (herhaaldelijk) iets doet (of nalaat!) en je wilt daar iets over zeggen realiseer je dan dat de ander mogelijk hele andere uitgangspunten, ervaringen, doelen, waarden heeft dan jij. Dat aanspreken geen zin heeft omdat het niet aansluit bij de belevingswereld van de ander. Aanspreken heeft pas zin als er al een bepaalde relatie tussen jou en de ander is. Als er een levend contact is. Als je enigszins aanvoelt hoe de ander denkt en zaken ervaart. Hoe de ander in het leven staat. Anders is aanspreken nutteloos. Er komt een irritatie, wrijving omdat de ander zich bedreigd voelt. Of je boodschap landt niet en de ander haalt zijn schouders op en gaat verder. Aanspreken heeft alleen nut wanneer je eerder duidelijke afspraken hebt gemaakt. Zit je iets dwars dan is de eerste stap dat je je niet verwijtend, niet aanvallend uitspreekt. Het gaat dan over jouw doelen, je ervaringen, je moeiten of je dilemma’s. Als je je – zonder oordeel! – uitgesproken hebt is het nodig om je af te stemmen op de ander. Je bespreekt met de ander hoe die kijkt, hoe die zaken ervaart enz. Jouw rol is dan luisteren en samenvatten. En onderzoeken waar jullie overeenkomsten en waar jullie verschillen zitten. Je kunt dan kijken of er iets af te spreken valt zodat wat je niet plezierig vindt niet meer gebeurt of anders gebeurt. Het is dan essentieel dat de ander de afspraak formuleert. Zodat de ander ook iets toezegt wat in zijn/haar vermogen ligt. En in zijn/haar belevingswereld past. Pas als je iets afgesproken hebt kun je de ander aanspreken op het niet nakomen van een afspraak. Houd je mond over alles wat niets te maken heeft met het proces tussen afspreken, uitspreken, aanspreken en bespreken.