Als je uit de losse pols iets toezegt en je weet niet of je het kunt (waarmaken), vraag jezelf dan af of je niet bezig bent je eigen geloofwaardigheid te ondermijnen. Als je een belofte doet, rekent de ander erop dat je die nakomt. Als je dat niet kunt, wilt of vergeet, geef je in feite de ander het signaal dat je niet betrouwbaar bent. Je doet niet wat je zegt. Je stelt de ander teleur en je zult je best moeten doen om die teleurstelling te ‘compenseren’. Als er een krasje op je betrouwbaarheid is gekomen, is het hard werken om die weer weg te poetsen. Vraag je af wat je redelijkerwijze kunt beloven. Kun je doen wat je zegt dat je zult doen? Kun je het binnen de afgesproken tijd? Weet je wel wat de ander verwacht en kun je ook aan die verwachtingen voldoen? Vraag door op wat de ander concreet verwacht. Wat moet je doen, binnen welke tijdspanne? Vraag jezelf hardop af of je dat kunt en wilt ‘leveren’ en of het mogelijk is binnen de gevraagde tijd. Als je niet volmondig ‘ja’ kunt zeggen, doe dan geen belofte. Wees eerlijk en geef concreet aan wat wel mogelijk is. Hoe concreter je bent tegenover de ander, hoe minder kans je hebt op teleurstellingen en hoe betrouwbaarder je bent. Voor jezelf en voor de ander. Ga je toch overstag en zeg je iets toe wat je niet kunt of zult doen, dan stel je jezelf teleur en dat is niet goed voor je zelfvertrouwen. En je stelt de ander teleur, wat niet goed is voor je verhouding tot/met de ander. Wees eerlijk en doe geen valse beloftes of halve toezeggingen.