Je wordt geboren als spiritueel wezen. Het spirituele kan je leven zin en richting geven. Je moet in je leven op gelegen en ongelegen momenten belangrijke besluiten nemen. En in die besluiten komt het erop aan dat je op koers blijft en dat je de juiste richting kiest. Je spirituele bronnen kunnen een belangrijk ankerpunt en houvast zijn bij het koers zetten en koers houden. Als je spirituele deel niet aangeraakt wordt als je jong bent, is het lastig om deze kant in jezelf – als je volwassen bent – te ontdekken en vorm te geven. Uit angst dat ze hun kind iets opdringen – en mogelijk gebaseerd op eigen jeugdervaringen – zeggen veel ouders: ”Ik geef mijn kind geen religieuze opvoeding, want daar mogen ze zelf voor kiezen als ze daar aan toe zijn.” Het lastige is dat een kind zich pas tot iets kan verhouden als hij/zij er in een vroeg stadium al kennis mee heeft gemaakt. Als ouder ga je je kind hierin voor. Je bent immers – of je dat nu wilt of niet – hun rolmodel. Je moet ingeleid, ingewijd zijn in een religieuze “taal” wil je kunnen invoelen en begrijpen wat er met deze taal en met de boodschap wordt bedoeld. Soms heb je een leven lang nodig om deze taal te (leren) begrijpen. Soms zijn daar indringende levenservaringen bij nodig. Een volwassene kan niet iets begrijpen wat hem/haar niet in een vroegtijdig stadium is aangeboden. Het begrijpen en doorgronden van de religieuze ’taal’ is iets wat stap voor stap gebeurt en waar je in moet groeien. Het is dus onlogisch om de natuurlijke, menselijke, religieuze behoeftes die in ieder mens, dus ook in ieder kind, latent aanwezig zijn niet aan te raken en om daarmee te wachten totdat het kind er aan toe is.