Soms overschrijdt de ander je grenzen. Door iets te zeggen, te doen wat voor jou te ver gaat. Zeg wat je te zeggen hebt. Ook al is het eng en ben je bang dat de ander je niet meer aardig vindt. Als het om wezenlijke dingen gaat, mag je zeggen wat je te zeggen hebt. Wezenlijke zaken horen op tafel te liggen. Open en bloot. Laat ze niet onbespreekbaar. Anders gaat het ondergronds zijn werk doen. Dat is pas echt onaangenaam. Door te zeggen wat gezegd moet worden ontstaat mogelijk eerst een onaangename situatie. Een oncomfortabel samenzijn. Dat geeft niet. Het zorgt ervoor dat de ander duidelijk je grenzen heeft gehoord en gevoeld. En dat is belangrijk. De ander wordt uitgedaagd om zich ertoe te verhouden. Misschien werpt het niet meteen vruchten af in het doen en laten van de ander. Maar ga ervan uit dat het gegeven dat je een grens trekt altijd effecten heeft. Op jezelf. Op de ander. Misschien niet meteen, maar wel later in de tijd. Sta achter jezelf. Zeg wat gezegd moet worden. Op een duidelijke, concrete niet verwijtende manier. En je woorden brengen iets in beweging. Meteen of later in de tijd.