De ander is niet zo heel anders dan jij. Niet veel beter, invloedrijker, verder. Als je je richt op het leren kennen van je eigen innerlijk – zonder dat dat betekent dat je jezelf wilt veranderen – zul je merken dat de verhouding met de ander verbetert. Door te voelen hoe het bij jou vanbinnen is, krijg je ook oog voor de uitdagingen waarvoor de ander zich gesteld ziet. Die zien er anders uit dan de jouwe, maar zijn er wel degelijk. Als je datgene wat er in je leven is kunt aanvaarden, dat wil zeggen toe kunt laten zonder er meteen iets mee te doen, zul je merken dat je een weg van zelfacceptatie inslaat. En die weg zorgt er ook voor dat je de ander, de omgeving ook eenvoudiger kunt nemen zoals die is. Als je met enige afstand naar jezelf leert kijken, kun je dat ook naar de ander. Je ziet jezelf in de juiste proporties. En je kunt de ander ook zo zien. Je hebt oog voor je eigen zieleroerselen en je krijgt ook oog voor die van de ander. Inzien dat je wezenlijk niet veel anders bent dan de ander geeft je een grote verbondenheid met de ander. En dat geeft rust.