In onze samenleving is het gewoon om een vaste plek te hebben. Het is fijn om vaste grond onder je voeten te hebben. Om ergens te zijn waar je kunt aarden en wortelen. Dit heeft niet alleen een praktische, maar ook een sociale en spirituele betekenis. Als je geen eigen plek hebt waar je thuis bent, kun je je ontheemd voelen. En dat geeft je een zwakke uitgangspositie. Het is dus menselijk dat je streeft naar vastigheid. Naar een plek waar je in je eigen bed kunt slapen en je benen onder je eigen tafel kunt schuiven. Toch kan het soms nodig zijn om je (t)huis te verlaten en alles wat je bekend en dierbaar is los te laten. Het kan zijn dat wat je aan structuren, systemen en patronen om je heen hebt gebouwd niet ( meer) goed voor je is. Dat je je zelf bent kwijtgeraakt. Wat er is hoeft niet het beste voor je te zijn. Want wees eerlijk: je kunt je hebben aangepast, geschikt aan iets of iemand, wat zelfs ziekmakend kan zijn. En het is niet de bedoeling van je leven om je te schikken in datgene wat ziekmakend of gekmakend is. Uit zo’n situatie stappen kan moeilijk zijn. Maar er zit niets anders op dan op te stappen, los te laten en op weg te gaan. Om je (eigen) plek (terug) te vinden. Dat kan een reis zijn met pijn en moeite. En met verlies van status, luxe en je netwerk. Het komt er dan op aan trouw te blijven aan je zelf en door te zetten. Het mooie is dat zelfs als je thuisloos bent, je je toch thuis en vol vertrouwen kunt voelen. Het kan nodig zijn om alles los te laten om uiteindelijk je plek te vinden.