Je hoort iets, je ziet iets, je vindt iets, je trekt je mond open. Op grond van wat je ziet of hoort, denk je te weten wat de motieven, wat de beweegredenen zijn. Het is de vraag of je echt in staat bent om een goed beeld te krijgen van de ander. Realiseer je dat als je op grond van jouw beperkte zicht een oordeelt meent te kunnen vellen, de ander een oordeel over jou zal vellen. Zo werken intermenselijke relaties. Wat je zaait, zul je oogsten. Uit jouw zaadjes komt een bepaalde oogst voort. Wat je doet, roep je bij de ander op. Als je over iets oordeelt, laat het zien hoe jij naar de situatie kijkt. Het is niet meer en niet minder dan dat. Je geeft betekenis aan de situatie. Hoe jij het ziet is niet hoe het is. Het is hoe jij het ziet. Het ‘lijdend voorwerp’ zal er zo zijn/haar geheel eigen gedachten over hebben. Constateren wat de ander doet is niet oordelen, dat is observeren. Wanneer je denkt te weten waarom de ander doet wat ie doet, dat is oordelen. De waaromvraag zelf beantwoorden zonder de ander het antwoord te laten geven, brengt meestal alleen maar pijn en leed teweeg. En dat heeft geen enkele zin. Niet voor jezelf, niet voor de ander.