Als je trots van aard bent, wil je in feite onaanraakbaar, onkwetsbaar zijn. Je wilt niet geraakt worden. Je doet er alles aan om jezelf in de hand te houden. Je wilt laten zien dat je het zelf kunt. Dat je de ander niet nodig hebt. Als je vanbinnen trots bent, zul je niet makkelijk de ander iets vragen. Door een (hulp)vraag te stellen of een verzoek te doen, zul je je al snel klein en afhankelijk voelen; dus je doet dat niet. Dat wil niet zeggen dat je de behoefte niet hebt om een ander om advies of hulp te vragen. Maar de stap is te groot. Als je een vraag stelt ‘moet’ je immers ook iets met het antwoord van de ander en dat wil je mogelijk niet. Dus hou je je mond dicht en laat je op een indirecte, ongrijpbare manier je behoeften merken. Door hints te geven, door terloops aan te geven hoe zwaar je het hebt. Vanuit een trotse positie kun je ook een andere tactiek gebruiken: je gaat eisen stellen. Dat is een hele directe en net zo’n onprettige manier. In beide gevallen zul je als trots persoon ontevreden zijn over de ander. De ander is egoïstisch en heeft geen oog voor een ander, in dit geval voor jou. Maar door je trotse aard zie je jezelf juist als middelpunt van het heelal. Het zorgt ervoor dat je niet in contact komt met de ander. Je eigen trots staat ertussen. Je trots kan alleen maar verdwijnen als je je in de ander wilt verplaatsen. Als je wilt weten hoe de ander denkt en voelt. Hierdoor kan je uitgangspositie – jij bent het centrum van de wereld – langzamerhand oplossen en kan je trots ook verdwijnen, omdat je merkt dat de ander ook gewoon een mens van vlees en bloed is.