Dienstbaarheid lijkt een ouderwets fenomeen. Iets vooroorlogs. Helaas heeft het een slechte naam omdat het associaties opwekt met dienstmeid. En dienstmeid roept weer beelden op van slavernij. Dienstbaarheid heeft niets met opoffering te maken. Dienstbaar zijn houdt in dat je iets wilt betekenen voor iets of iemand buiten jezelf. Het gaat niet om het realiseren van je eigen doelen of het vervullen van je eigen wensen. Dienstbaarheid gaat over het je ten dienste stellen aan het welzijn van de ander. Het heeft ermee te maken dat je je best doet om de ander tot dienst te zijn. De ander heeft altijd iets nodig en jij bent altijd in staat om daaraan bij te dragen. Het mooie is dat als je je richt op het welzijn van de ander, jouw eigen behoeften aan waardering, erkenning ook ‘automatisch’ zullen worden vervuld. Het is niet je doel, maar het zal een mooi neveneffect zijn. Je kunt niet spreken van dienstbaarheid als je de wensen en verlangens van de ander wilt vervullen om zelf geaccepteerd en gewaardeerd te worden. Dan verlies je namelijk jezelf uit het vizier. En ben je meer bezig met ‘pleasen’ dan met dienen. En dat zal de ander als onvrij ervaren.