Gierigheid wordt in diverse godsdiensten als een belangrijke zonde gezien. En dat is wel logisch. Want als je gierig bent, kamp je met een nare eigenschap. Een eigenschap die een obstakel kan zijn in gewoon menselijk contact. Gierigheid houdt in dat je moeite hebt om te delen wat je hebt. Je hebt (meer dan) voldoende, maar je hebt moeite om te geven. Je focus is gericht op het behouden van wat je hebt en als het even kan het vermeerderen daarvan. Niet omdat je het zelf nodig hebt, maar gewoon om de heb. Als je gierig bent, ben je op jezelf gericht en heb je geen oog voor de behoeften van de ander. Het is ook mogelijk dat je wel ziet dat de ander behoeften heeft, maar dat je niet bereid bent om (als eerste) te geven. Je wacht af tot een ander over de brug komt en je neemt een afwachtende houding aan. Misschien maak je jezelf zelfs onzichtbaar, zodat aan jou niet gevraagd wordt om te geven. Je gierigheid kan geworteld zijn in een veronderstelling dat als je geeft je zelf minder of zelfs te weinig overhoudt. Je kunt zelfs van mening zijn dat als je geeft je zelf in de problemen komt. In zijn algemeenheid zijn gierige mensen niet geliefd. De ander voelt namelijk haarscherp aan dat je niet bereid bent tot geven. En de ander zal ervaren dat jij een afwachtende of een wegduikende houding aanneemt als het op ‘geven’ aankomt. Zo’n houding wordt niet gewaardeerd. Als je door de ander als gierig wordt gezien, is het tijd voor zelfonderzoek. Waarom is het voor jou zo lastig om te geven? Welke veronderstelling zit er bij jou onder? Gierig zijn is iets anders dan oplettend of zuinig zijn. Als je oplettend bent, ga je weloverwogen om met wat je hebt. Met oog voor de ander. Hetzelfde geldt voor zuinigheid. Dan ben je niet roekeloos met geld en goederen, maar ga je er bewust mee om.