Je ziet het om je heen: er bestaan mensen die de behoefte hebben om dingen kapot te maken. Het is in feite heel vreemd dat je een drang hebt om iets wat mooi is op een ruwe wijze teniet te doen. Misschien ben je verbijsterd als je hoort dat waardevolle zaken zonder aanwijsbare voortekenen geruïneerd worden. En kun je er niet over uit dat iemand zichzelf beschadigd. Je begrijpt het niet, je veroordeelt het zelfs omdat je er met je verstand niet bij kunt dat iemand zoiets onmenselijks kan doen. Toch is het gedrag dat in meer mensen zit dan je zou denken en hoort het – hoe moeilijk ook te begrijpen – ‘gewoon’ thuis in het scala van menselijke emoties. Niemand wordt met actieve vernietigingsdrang geboren. Het is een emotie die geactiveerd wordt nadat je intensief (emotioneel) verwaarloosd, gekleineerd, geminacht, genegeerd, gestigmatiseerd bent. Mensen die langdurig onvoldoende positieve bekrachtiging hebben gehad kunnen zich uit het niets als ‘een beest’ gaan gedragen. Het is voor de buitenwereld misschien iets wat zich vrij plotseling lijkt te manifesteren. De persoon in kwestie weet dat er sprake is van een veel langduriger, vaak onderhuids proces. De wil om dingen te vernietigen en het ook feitelijk te doen is een resultaat van een lang negatief innerlijk proces. Door jarenlange vernedering, misschien zelfs uitsluiting verdwijnt de zelfliefde van iemand en daarmee ook de liefde voor de ander of voor dingen. En de haat die er vanbinnen stap voor stap is opgebouwd en die pijn stimuleert de behoefte om mensen en/of dingen kapot te maken. Vernietigingsdrang maakt zichtbaar wat er gebeurt als iemand geen liefde voor zichzelf meer voelt en alle liefde uit hem/haar lijkt weggevloeid. Willen we nu en in de toekomst niet geconfronteerd worden met mensen die op (zelf)vernietiging uit zijn, dan zullen we goed om ons heen moeten kijken wie we wel wat extra liefde kunnen geven. En dat zouden in eerste instantie wel eens mensen kunnen zijn die we niet mogen, die niet aardig voor ons zijn.