In onze cultuur is een enorme ik-/zelfgerichtheid. We willen beschermen wat we hebben, behouden wat er is. Dit zie je aan ideeën om grenzen dicht te gooien, eigen volk voorrang te geven, het dehumaniseren van mensen die anders zijn. De neiging om je af te sluiten komt aan de orde als je veranderingen gevoelsmatig als enorme bedreigingen ziet. Dat is het geval als je ze niet kunt overzien, als ze je als het ware overspoelen. Natuurlijk is het goed om waardevolle dingen te beschermen, maar weet dat er stagnatie optreedt en je vastloopt als je de boel op slot gooit. Er is openheid, een zuurstofdoorlatende wand nodig om iets te laten leven. De enige manier om onze cultuur en je zelf te laten (over)leven is je voelsprieten naar buiten houden. Openstaan voor andere ideeën, andere invloeden, andere oplossingen. Openstaan houdt niet in dat je je eigenheid overboord gooit, dat je je eigen ideeën opzijzet, dat je rücksichtslos alles overneemt en je eigen culturele identiteit opgeeft. Dat is onmogelijk en dat gebeurt ook niet. Daarvoor is een identiteit te sterk. Een open geest houdt in dat je weet dat er meerdere wegen naar Rome leiden en dat je door open te staan aspecten van de andere zienswijze kunt integreren in die van jezelf. Je houdt niet star vast, maar je evolueert mee. En je weet dat meebewegen uiteindelijk het meeste effect sorteert. De cultuur wordt steviger en duurzamer als het kan meebewegen en gepast openstaat voor invloeden van buitenaf. Dezelfde ‘wetmatigheden’ zijn ook van toepassing op je zelf. Als je openstaat voor andere zienswijzen, de inbreng van de ander, kun je je ontwikkelen en je eigen identiteit verstevigen.