Aanpassingsvermogen wordt hoog gewaardeerd in onze samenleving. Het houdt in dat je je snel kunt aanpassen aan veranderende omstandigheden. Toch is een sterk ontwikkeld aanpassingsvermogen alleen effectief als je weet wie je bent en weet wat je waarom doet. Al heel vroeg in je leven leer je wat nodig is om geaccepteerd te worden, om niet buiten de boot te vallen. Je past je aan aan de heersende normen. Je doet er alles aan om niet afgewezen of buitengesloten te worden. Het kan niet anders dan dat aanpassen ook zelfverloochening inhoudt. Je leert om soms je innerlijke stem te negeren en om je af te sluiten voor je intuïtie. Je offert een deel van je uniciteit, je eigenheid op om niet uitgestoten te worden. Je levert onbedoeld en onbewust iets van jezelf in. Dit inleveren kan een tijdje goed gaan. Het wringt wel eens wat, maar je kunt er wel mee dealen. Maar er komt een moment dat je last krijgt van deze zelfmiskenning. Je voelt je onbegrepen, ongelukkig, je krijgt conflicten en je voelt je labiel. Je hebt je zoveel aangepast dat je niet meer weet wie of wat jezelf bent. Je bent jezelf onderweg kwijtgeraakt en daarmee is ook je basis weg. Als je je veel hebt aangepast weet je niet meer wie je bent en waar je zelf voor staat. Dat maakt je kwetsbaar omdat je alleen sterk kunt zijn als je jezelf bent. Je komt er niet achter wie je bent door in een groep te blijven of in gezelschap te verkeren. Je uniciteit wordt pas duidelijk als je alleen bent, als je in je uppie durft te zijn, in je eigen gezelschap. Je kunt alleen krachtig opereren als je ook gewend bent om alleen te zijn, omdat je alleen dan voelt wie je bent en waar je kracht zit. Aanpassen? Prima, mits je goed weet wie je bent en je voldoende alleen bent om te voelen wie je bent en je af te vragen of het aanpassen dat soms nodig is nog wel goed voor jou is.