Na vele jaren dat alles groter en imposanter moest worden, is er een beweging op gang gekomen waarin het kleine weer meer aandacht en waardering krijgt. Dit is een logische en mooie beweging, omdat duidelijk is geworden dat allerlei zaken samenvoegen niet per definitie leidt tot betere en mooiere dingen. Hoe groter iets wordt, hoe onpersoonlijker en hoe meer de neiging om te gaan werken met protocollen, regels en andere controle- en beheersingsmechanismen omdat iedereen die werkt in een groter geheel wil weten wat er van hem/haar wordt verwacht. Hoe groter de organisatie, hoe meer kans om je te verschuilen achter een ander. Hoe groter, hoe meer kans om de andere ‘afdeling’ te beschuldigen. Hoe groter de organisatie, hoe sneller wantrouwen zich kan ontwikkelen. Want er is een grote kans dat er te veel schakels zijn tussen degene met het idee en degene die het uitvoert. Hoe kleiner de onderlinge afstand tussen de mensen aan de basis en de basis en de leiding, hoe meer gevoel en zicht er is op wat er in de praktijk gebeurt. Dit vergroot de betrokkenheid en zorgt voor realiteitszin. Dit is gunstig voor iedereen die betrokken is bij de organisatie. Hoewel duidelijk is dat ‘hoe kleinschaliger, hoe beter’ in veel gevallen goed uitpakt is er een onmiskenbare drang naar groter. Als jij zelf iemand bent die de neiging heeft om groot-groter-grootst na te streven, vraag je dan af waar die behoefte vandaan komt en of datgene wat je wilt wel echt nastrevenswaardig is. Als je groter wordt, krijg je er volume bij maar je verliest ook wat. En wat je verliest zou wel eens groter kunnen zijn dan wat je wint!