Als je agressie in jezelf naar boven voelt komen laat het zien dat je je in je eigenwaarde voelt aangetast. Agressiviteit kan diverse oorzaken hebben. Je wordt agressief als je ervaart dat er niet naar je wordt geluisterd. Als je je niet begrepen voelt. Als je je genegeerd voelt. Als je voelt dat je grenzen worden overtreden. Of als je onterecht beschuldigd wordt. Of als je buitengesloten wordt. Of als je je machteloos voelt. Agressie bij jezelf of bij de ander is dus een krachtig signaal dat er sprake is van de aantasting van eigenwaarde. Als je voelt dat je in je eigenwaarde wordt aangetast gebeurt er iets waar je geen controle meer over hebt. Je eigenwaarde is zo fundamenteel en basaal dat als die “bedreigd” wordt er een oerkracht in je wakker wordt. Voel je agressie in jezelf opkomen neem dan afstand en kijk naar binnen. Wat is er aan de hand? Je aandacht richten op de ander of boos zijn op de omstandigheden heeft geen zin en voed je agressie. Introspectie is de enige “oplossing”. Wordt de ander agressief gooi dan geen olie op het vuur want de ander verliest dan nog meer de regie over zijn/haar gedrag. En dat leidt tot meer van hetzelfde. Kijk wat je kunt doen in het bekrachtigen van de ander in plaats van hem/haar nog meer te triggeren.
Hij was eens..
Ooit, nog niet zo heel lang geleden, was hij een zorgzame en attente man.
Een warm hart dat ook nog eens op de juiste plek zat, zei men dan.
Een beetje verlegen maar wel heel lief.
Hij kon goed luisteren en het was fijn om met hem te praten.
Men was bij hem in goede handen, werd er gezegd.
In moeilijke tijden deed hij wat er moest gebeuren, en dit zonder te klagen.
Toch lieten deze moeilijke tijden hun littekens na op het gevoelige hart van de man.
Hij deed zijn best om door te gaan en zo veel mogelijk van zijn eigen balast te dragen.
Hij voelde zich niet meer, beter of slimmer dan wie ook.
Integendeel: hij was onzeker, sociaal wat onhandig en voelde zich vaak dom en ook beslist geen heilige.
Hij wilde niemand kwaad doen maar had niet altijd even wijs gehandeld in zijn verleden.
Hij had er moeite mee om zichzelf gelijkwaardig te voelen aan een ander.
Hij had een onstabiele jeugd gehad. Werd op school gepest en thuis was er veel ruzie en geschreeuw.
Hij had zich niet op de juiste manier kunnen ontwikkelen en voelde zich een mislukking. Zijn gevoel van minderwaardigheid had hem al veel gekost.
Hij had van zijn moeizame verleden geleerd dat het beter was om over zijn gevoelens te praten.
Omdat het ongezond was om pijnlijke herinneringen op te kroppen.
Ook werd hem aangeraden om alles te uiten, hoe pijnlijk of verdrietig ook.
Hij vond het moeilijk, maar deed zijn best om zo goed mogelijk te verwoorden wat er in hem omging.
Hij dacht dat hij er goed aan deed om zijn angsten en frustraties te uiten.
Het was hem immers aangeraden en hij wilde dan ook graag aan de verwachting voldoen.
Toch had hij beter zijn mond kunnen houden.
Want wat hij voelde werd als pijnlijk en ongemakkelijk ervaren.
Want wat hij zei, voldeed niet aan de verwachting.
Wat hem in het verleden had beschadigd en getekend,
richtte nu nog meer onherstelbare schade aan.
En dat enkel omdat hij het uit had gesproken.
Hij moest nu met psychiaters gaan praten want zij die beweerden van hem te hebben gehouden,
wilden nu niet meer luisteren of helpen.
Hij mocht nog wel met vrienden praten maar hij mocht geen nare dingen over de mensen zeggen,
ookal was het de waarheid.
Hij had zich opengesteld en had zich geuit. Want de mensen vonden dat hij beschadigd was en bleef,
juist omdat hij zich niet had geuit.
Maar wat hij zei, was niet wat men wilde horen.
Dus nu was hij volgens de mensen ineens geen lieve, zorgzame man meer.
Nu klaagde hij te veel en was hij te zwaar geworden.
En nu praat men meer OVER hem, dan MET hem.
Want hij mocht niets verkeerds over de mensen zeggen. Maar zij natuurlijk wel over hem.
Nu gaat er volgens de mensen in zijn hoofd om, wat zij vinden dat er in zijn hoofd omgaat.
De mensen weten nu meer van de man te vertellen dan de man zelf.
De man moest van de mensen hulp gaan zoeken bij een psychiater.
Want als hij dat niet deed, dan was het zijn eigen schuld dat hij het zo moeilijk had.
Zo bleven de mensen zelf tenminste buiten schot.
De man had reeds hulp gezocht. Meerdere keren zelfs.
De man had therapie gehad en jarenlang braaf zijn medicatie genomen.
Er waren al lang diagnosen gesteld.
Maar de mensen vonden hun diagnose van de man beter dan die van de psychiaters.
Want hun eigen diagnose past beter in hun verhaal over de man.
“Het zal dan wel geen goede psychiater zijn geweest” zeiden de mensen dan.
Of de man zal de psychiater “maar wat wijs hebben gemaakt”..
De man heeft geen bestaansrecht meer.
Want als hij niet zegt wat men wil dat hij zegt, dan moet hij maar weg.
Want als hij het spelletje niet meer meespeelt, niet doet wat zij willen..dan is hij niets meer.
Nu moet hij vermeden worden.
Nu is het beter hem dood te zwijgen.
Hij had beter zijn mond kunnen houden.
Want mensen horen liever leugens en valse beleefdheden.
De mensen willen niet op de eigen tekortkomingen en angsten worden gewezen.
De mensen maken zichzelf en anderen graag van alles wijs om te rechtvaardigen wat zij doen.
De man haat zichzelf nu nog meer dan ooit..Denkt nu ieder uur van de dag: Ik kan niet meer.
De mensen kunnen en zullen over de man zeggen wat zij willen:
Onzeker, depressief, ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, sociaal onhandig, labiel, etcera..
maar een leugenaar is hij in elk geval niet.
En die man ben ik.