Dit is een heel oud gezegde. Het heeft tot doel je te laten inzien dat je iets kunt nastreven, naar iets kunt verlangen en dat als je bereikt hebt waar je naar verlangd hebt, na een tijdje de blijdschap en dankbaarheid verdwijnt. Het is gewoon geworden, je bent eraan gewend, het speciale is eraf. Je slooft je uit, je offert je op, je verzet bergen voordat je het ‘hebt’ en als je het ‘hebt’ is het niet interessant meer. Je verlangen wordt aangewakkerd door irrationele en vooral emotionele overwegingen. Het is volstrekt menselijk om naar iets te verlangen. Het verlangen naar iets zorgt ervoor dat je actief blijft, dat je in beweging komt. Je komt sneller in beweging als jij een van de weinigen bent die iets (nog) niet heeft. Het is ook zo dat je meer naar iets verlangt als het duur is, als je er letterlijk en figuurlijk veel voor moet ‘betalen’. Ook als iets eigenlijk niet mag, stimuleert het de behoefte om het toch (uit) te proberen. Hoe lastiger iets te krijgen, is hoe groter het verlangen. Je leeft in een samenleving waarin enorm veel prikkels op je af komen. Voordat je het weet wordt je geprikkeld om achter allerlei verlangens aan te hollen. Er zijn immers vele verleidingen. Als je weet dat het bezit het einde van het genot is, is er veel voor te zeggen om de periode dat je ergens naar verlangt zolang mogelijk te laten zijn. Stel dus uit als je kunt en geniet zo lang mogelijk van je verlangen. Want blijkbaar geeft het verlangen naar iets in veel gevallen langer en soms meer genot dan het bezitten ervan. Het gevoel van verlangen is belangrijker dan het gevoel van bezit.