Dienstbaarheid is een groot goed, maar heeft in onze samenleving soms een nare klank. Ze verwijst naar nederigheid, opoffering, onzichtbaarheid, kleinheid. Ze lijkt meer te verwijzen naar iets wat er in een klooster gebeurt, dan wat je zelf als ‘normaal’ mens zou kunnen doen. Toch hoef je niet toe te treden tot een religieuze gemeenschap om dienstbaar te kunnen zijn. Dienstbaar zijn wil zeggen dat je van binnenuit voelt dat je iets voor de ander wilt betekenen. Dat je bereid bent je eigen ideeën, wensen, verlangens, meningen niet op de voorgrond te zetten. Of zelfs tijdelijk ‘op te offeren’. Je doet dat omdat je voelt dat het verstandig is om het te doen. Het is positief voor de situatie, voor de ander, voor de relatie, voor de sfeer, voor het geheel. Dienstbaarheid houdt in dat je geeft zonder dat je iets terugverwacht, verlangt of eist. Je wilt het verschil maken. Je wilt er toe doen. Je hebt met je houding en inzet een hoger doel voor ogen. Die het rechtvaardigt om jezelf te voegen, aan te passen. Het is dus niet dat je je klein maakt omdat je je klein voelt. Het is een welbewuste keuze om je kleiner te maken ten gunste van iets wat belangrijker, groter is dan jezelf. Het mooie is dat je – als je dienstbaar kunt zijn – een bijdrage kunt leveren aan een proces waarin niet iedereen voor zichzelf gaat, maar bereid is om rekening te houden met de ander. Als je dienstbaarheid betracht in een omgeving waar dit gezien en gewaardeerd wordt, kan jouw dienstbaarheid de ‘smeerolie’ zijn die nodig is om een (noodzakelijke) verandering te brengen. Of je dienstbaarheid kan ervoor zorgen dat er een noodzakelijke doorbraak komt. Met tegenzin jezelf opzij zetten is geen dienstbaarheid. Het levert ook niets op omdat het geen bewuste, oprechte, doordachte keuze is, maar een keuze die gebaseerd is op negatieve emoties. En datgene wat niet van harte gaat, werkt uiteindelijk niet. In welke (vastgelopen) situaties kun jij doelbewust en welbewust dienstbaarheid oefenen?