Wek geen verwachtingen of indrukken die je niet waar kunt maken. Maak jezelf niet groter dan je bent door opdrachten aan te nemen die je niet goed doorgrondt. Doe geen beloftes waarvan je niet zeker weet dat je ze waar kunt maken. Zeg geen “ja” op verzoeken van de ander als je niet exact begrijpt wat de ander vraagt. En check altijd of jouw beelden van wat de ander (van) je vraagt kloppen met wat de ander bedoelt. Doen wat (in de beleving van de ander!) afgesproken is zorgt ervoor dat je vertrouwen wekt. Doe je niet wat je zegt (of dat wat een ander meent dat je gezegd hebt!) dan wordt het vertrouwen wat de ander in je heeft of zou moeten hebben geschonden. Laat de ander weten waar je staat. Wek geen verwachtingen of indrukken die je niet waar kunt maken. Zeg niet dat je iets leuk, mooi of goed vindt als dat niet zo is. Noem zaken bij hun naam. Je beoordeelt jezelf aan de hand van je intenties. Maar een ander beoordeelt je daar niet op. De ander beoordeelt je op je gedrag, op wat je neerzet.