Je interpreteert permanent wat je ziet, hoort, voelt, proeft en ruikt. Dit is jouw ‘werkelijkheid’. Met taal werkt het net zo. Je benut taal om dat wat je wilt overbrengen te communiceren. Je gaat er vanuit dat de ander (meteen) begrijpt wat je bedoelt. Dit is soms het geval, soms niet. Je gebruikt taal om met de ander te communiceren en je gaat er vanuit dat de ander begrijpt wat je bedoelt. Een gesproken of geschreven woord wordt binnen jezelf omgezet in betekenis en beeld. En je koppelt er, op grond van eerdere ervaringen, een gevoel aan. Het is de vraag of jouw definitie/omschrijving en betekenis van iets of iemand overeenkomt met dat van de ander. Waarschijnlijk niet. Een woord kan voor de ander een hele andere beleving of gevoel teweeg brengen. Het feit dat je aan één specifiek woord verschillende beelden, betekenissen en gevoelens kunt koppelen, kan leiden tot verwarring. De oorzaak van miscommunicatie. Je denkt dat je over hetzelfde spreekt maar praat langs elkaar heen. Voel je dat de communicatie niet lekker loopt, trek dan meteen aan de bel en geef aan dat je de indruk hebt dat je elkaar niet begrijpt. Dit geeft meestal een opening om nader tot elkaar te komen. Als je met de ander spreekt vraag je dan bewust af of je echt begrijpt wat de ander bedoelt (je weet wat de ander bedoelt). Of dat je het vooral hebt geïnterpreteerd op basis van je eigen betekenis, beelden en emoties, je denkt te weten wat de ander bedoelt. Is het laatste aan de orde geef dan aan dat je nog onvoldoende helderheid hebt en vraag door op betekenis, beelden en emotie die de ander bij het onderwerp heeft.