Maak jezelf niet groter dan je bent. Stel jezelf niet boven de ander. Relativeer jezelf. Zo hou je de normale menselijke maat. Realiseer je dat alles wat je kunt, creëert, presteert, mede tot stand gekomen is door wat je van een ander hebt ontvangen. Je hebt via je ouders bepaalde (genetische, erfelijke) eigenschappen meegekregen, een zekere intelligentie. Er is altijd iemand geweest die je ogen heeft geopend, die je tot een inzicht heeft gebracht, die je iets heeft geleerd. Je bent dus iets geworden – dat wat je nu bent – mede door de ander. Als je de ander kunt eren voor wat die heeft bijgedragen aan dat wat je nu weet, waar je nu staat, dan blijf je een aangenaam mens. En heb je het niet nodig om de ander te verlagen om zodoende jezelf beter, slimmer of sneller te ervaren. Als je maat blijft houden, zul je je nooit hoeven te schamen voor een misser of een fout. Want de ander zal die door de vingers zien, juist omdat je maat weet te houden en jezelf niet groter voordoet dan je bent. Als je maat blijft houden, zal de ander altijd bereid zijn om te helpen, omdat je geen afstand hebt gecreëerd door erboven te staan.