Je hebt de ander gevraagd iets (voor je) te doen. De ander heeft expliciet of impliciet beloofd dat het gaat gebeuren. Het gebeurt niet. Of het gebeurt minder goed dan je had gedacht of gewild. Mogelijk ben je teleurgesteld, ben je boos. Omdat je verwachtingen niet uitkomen. Omdat je niet verder kunt. Mogelijk is je natuurlijke neiging dat je ervan uitgaat dat de ander geen zin had om het te doen of het vergeten is. De optie dat de ander het mogelijk niet kan is een minder vanzelfsprekende variant. Het komt meer voor dan je denkt dat de ander iets toezegt wat hij/zij niet kan. Dat weet hij/zij van tevoren misschien al, maar hij/zij durft of wil geen ’nee’ verkopen. Of de ander heeft er nog niet over nagedacht of hij/zij daadwerkelijk in staat is om de belofte waar te maken. De ander komt daar pas al doende achter en schaamt zich voor zijn/haar niet kunnen. Als iets niet gebeurt wat wel beloofd is, onderzoek dan of het misschien een kwestie is van niet kunnen bij de ander. Dan is er schaamte in het spel. En wil je verder komen met de ander, dan heeft verwijten maken geen zin. Niet kunnen heeft vaak aan de buitenkant het gezicht van niet willen, geen zin hebben. Maar het is goed mogelijk dat de ander schroom heeft om te zeggen dat hij/zij het niet kan. Dat het niet lukt. Ga ervan uit dat in het algemeen de ander iets doet wat hij/zij heeft (toe)gezegd. Als dat niet gebeurt, dan zit er altijd iets achter, of onder. Wil je verder komen met de ander en met datgene wat je wilt, dan is het slim om niet rechtstreeks aan de ander te vragen of hij/zij het niet kan. Een effectievere aanpak is dat je vraagt of de opdracht helder is en of je ondersteuning kunt bieden. Soms heeft de ander geen beeld op het netvlies, omdat de opdracht gewoon niet concreet is, niet duidelijk is. Je ondersteuning kan bestaan uit het op een rij zetten welke stappen er gezet moeten worden en die stappen ook heel concreet te formuleren. Het is namelijk goed mogelijk dat de ander gewoon niet weet hoe hij/zij de klus moet oppakken. Zo simpel kan het liggen. Je ondersteuning kan bestaan uit het voordoen wat er moet gebeuren. Soms heeft de ander een concreet voorbeeld nodig om op gang te komen. Ga er niet op voorhand van uit dat de ander iets niet wil, maar ga ervan uit dat er mogelijk niet kunnen aan de orde is en kijk hoe je de ander op weg kunt helpen.