Je kunt de ander – die geestelijk gezond is – niet beschermen tegen het kwaad, tegen tegenslag. Je wilt de ander – zeker als die je lief is – bij het kwaad vandaan houden. Het is een natuurlijke, primaire reactie. Maar het is een illusie dat je deze bescherming kunt bieden. Als je denkt dat wel te kunnen is deze gedachte een obstakel. Deze gedachte en je handelingen die daaruit voortkomen belemmeren je ontwikkeling als persoon. En ook de ontwikkeling van de ander die je wilt beschermen. Je kunt op vele momenten niet de bescherming bieden die je zou willen bieden. Erken dat. Als je wel bescherming wilt bieden zit je voordat je het weet in het verantwoordelijkheidsgebied van de ander. En dat levert vroeg of laat fricties. Bescherming bieden kan voor de ander als benauwend, bevoogdend of bemoeizuchtig voelen. Of beperking van de vrijheid. De ander moet voor zichzelf zorgen en kan dat ook door zelf te ervaren waar het kwaad en het gevaar zit. Vanzelfsprekend kun je met de ander spreken hoe het kwaad, het gevaar te herkennen en hoe ermee om te gaan. Daar ligt je verantwoordelijkheid en je waarde.