Je hebt als mens met goed en kwaad te maken. In jezelf en buiten jezelf. De uitdaging is om dat te erkennen. Om vrij te (blijven) kijken naar het kwaad. En niet net te doen alsof dat iets is wat bij de ander speelt en waar je zelf vrij van bent. Verwerp of onderdruk niet wat je als kwaad ervaart. Dat klinkt vreemd, maar als je ’het kwaad’ verwerpt, zegt dat het niet goed is, dat het er niet mag zijn, juist dan krijgt het grip op je. De uitdaging is ook dat je als je kwaad in jezelf ervaart niet als overreactie supergoed probeert te zijn. Hierdoor probeer je dus op een mentaal niveau het kwaad te negeren. Het kwaad in je verdwijnt niet door supergoede dingen te doen. Het kwaad reduceert wel door het volledig onder ogen te zien en te erkennen dat het in je zit. Het kwaad is er dan nog steeds, maar het houdt je niet meer in de greep. Het krijgt geen vat op je. Je ziet het, je onderkent het, maar je hecht je er niet aan. Als je het kwaad doorziet, brengt kwaad niet nog meer kwaad voort, maar krijgt juist het goede meer ruimte. Als je je niet afkeert van het kwaad en je er ook niet aan hecht, is er ruimte voor mededogen om tevoorschijn te komen. Omdat je weet dat zowel jijzelf als de ander tot de meest gruwelijke dingen in staat zijn. Als je het kwaad in jezelf onder ogen ziet, kun je mededogen met de ander hebben, omdat je van binnenuit weet dat als het erop aankomt jij niet veel beter bent. En mededogen is het enige wat uiteindelijk telt in iedere menselijke relatie.