Als je met de ander omgaat, voel je aan den lijve hoe je verschilt van de ander. Je ziet, je voelt dat je anders bent dan de ander. Je beleeft je uniek-zijn. Het opmerkelijke is dat als je bij jezelf naar binnengaat, je in staat bent om te ervaren dat je in wezen niet anders bent dan de ander. Dat je innerlijke centrum is verbonden met de ander. Vanbinnen voel je dat we allemaal gelijk zijn. Je bent uniek en gelijk aan de ander. Dat is een paradox. Het is raadselachtig dat je jezelf vindt als je de gelegenheid krijgt om diep bij de ander naar binnen te kijken. Het hoort erbij dat je in de eerste helft van je leven je best doet je uniciteit te ontdekken en naar buiten te brengen. Je voelt jezelf als een uniek persoon en je probeert die uniciteit vorm te geven. In de tweede helft van je leven kun je ontdekken dat er meer is wat je verbindt met de ander dan wat je scheidt. Hoe meer je meemaakt in je leven, hoe duidelijker het je kan worden hoe de ander net als jij op een eigen manier probeert het leven vorm te geven. Met vallen en opstaan. Met plezier en verdriet. Met voorspoed en teleurstelling. Je kunt jezelf volwassen noemen als je van binnenuit voelt dat er tussen jou en de ander geen wezenlijke scheiding is. Dat je in essentie uit hetzelfde stof bent gemaakt.