Natuurlijk is het een heel mooi en kostbaar recht: het recht op het vrije woord. Dat je kunt zeggen wat je denkt en vindt, doet recht aan je menselijke behoefte om je te uiten, om je te onderscheiden. Het vrije woord geeft je de kans om je mening naar buiten te brengen en je te onderscheiden. Maar het vrije woord is niet altijd het allerhoogste goed. Het vrije woord mag omarmd worden voor zover dat passend en vruchtbaar is in een bepaalde context. Maar je kunt je afvragen hoe wenselijk het is om het vrije woord tot absolute maatstaf te verheffen. Het is de vraag hoe realistisch en vruchtbaar dat is in een pluriforme samenleving waarin wij nu leven. Je leeft in een samenleving met de ander die je niet hebt uitgekozen, die anders in het leven staat en van wie je maar moeilijk kunt ‘houden’. Maar er zit niets anders op dan om wegen te vinden om je tot de ander op een vreedzame manier te verhouden. Je bent tot de ander ‘veroordeeld’, of je dat nu leuk vindt of niet. Het is zo. En dit vraagt dat je op je woorden past. Dat je je zelf afstemt op de ander en zijn/haar belevingswereld. En vreemd is dat niet. Al jong wordt je geleerd dat je niet altijd en overal kunt zeggen wat je werkelijk vindt. Dat is een zekere mate van beschaafdheid, van wellevendheid. En dan gaat het niet alleen om religieuze en politieke aangelegenheden, maar ook bijvoorbeeld om sociale kwesties. Zelfcensuur, niet zomaar zeggen wat je vindt, is nodig. Nadenken voordat je iets zegt is normaal. Je afvragen of naar buiten brengen wat je van iets of iemand vindt of passend is in een bepaalde context, is noodzakelijk. Want wil je met een ander samenlevenof samenwerken, dan is het nodig dat je je afvraagt of datgene wat je zegt wel zo relevant en vruchtbaar is in relatie tot de ander. Het is toch normaal dat je je houding, je gedrag, je taalgebruik afstemt op de ander. Je houdt rekening met zijn/haar achtergrond, positie omdat je aansluiting bij de ander wilt vinden en houden. Je denkt erover hoe je de ander kunt bereiken en dat houdt ook in dat je rekening houdt met de waarden, normen en opvattingen van de ander. Je weet ook dat het in het algemeen niet verstandig is om uitspraken te doen over godsdienst en politiek als je op voorhand weet dat de ander daar andere opvattingen over heeft. Want je weet dat dat niets toevoegt aan de relatie. Het vrije woord moet zorgvuldig worden gebruikt. En moet niet als vrijbrief worden gezien om vrijelijk te kwetsen en te beledigen. Dat is nodeloos de ander pijn doen. Als je het recht op vrijheid van meningsuiting laat verworden tot het recht om de ander welbewust te beledigen, dan werk je er doelbewust aan dat onderlinge verhoudingen verslechteren en dat de verharding onaanvaardbare vormen aanneemt. Als je welbewust aanvaardt dat het vrije woord misbruikt wordt om de ander die anders denkt en voelt te kleineren en te schofferen, dan lever je ‘met je grote mond’ een actieve bijdrage aan het ontstaan van explosieve verhoudingen. Natuurlijk mag je problemen benoemen, maar je kunt je ook realiseren en accepteren dat voor de ander waarden ‘heilig’ zijn die je zelf niet kunt begrijpen. Waarom zou je geen respect voor de waarden van de ander hebben? Dat houdt niet in dat jij ze hoeft te omarmen of te onderschrijven. Je houdt er rekening mee dat de ander anders denkt en voelt. En je mag van de ander ook vragen om dat te doen. Het kan zijn dat de ander jouw waarden, levenswijze en zienswijzen niet begrijpt. Het zij zo. Maar dat hoeft niet te betekenen dat jij dus ‘gerechtigd’ bent om de ander te kleineren in woord en daad.